NACHT VAN DE NACHT

Als de doedelzak verstomt,
woon en werk niet meer verkeert,
de gordijnen dichtgaan, de lampen aan,
het gevaarlijk is zonder licht te fietsen
dan zoek ik het buiten,
dan zoek ik de heide,
dan zoek ik het bos.

Mijn hand op het schouderblad
van wie naast mij staat. Het zoekend
knuistje in mijn zij van de zoon die
ook de weg niet ziet maar weet
dat wij die buiten zoeken,
dat wij de heide,
dat wij het bos.

De bosuil laat niet van zich horen,
de maan verbleekt het sterrenstel,
het is duister onder bomen, wij koersen
op berkenstammen en glimwormen,
zijn bang om te struikelen,
tot we langzaam wennen,
alleen nog maar luisteren

en zien wat we denken dat er is.
Als de kinderen slapen, grote mensen
de tv aan hebben gedaan, de kachel
hoger is gezet, het huis naar koffie ruikt,
dan zoelen de zwijnen,
dan zoeken dassen en konijnen
dan fluister ik in het donker

dat wij het buiten zoeken,
dat wij de heide,
dat wij het bos.

Fiet van Beek,
2018

Met dit gedicht opende ik de activiteiten van de Nacht van de Nacht (27 oktober) rond de Schaapskooi.